De Spuikom. De Vlissingers praten erover met veel gevoel en bevlogenheid. Maar toch niet vanwege dat weelderige onkruid? In vier verhalen probeert de PZC te ontdekken wat het braakliggende stukje grond, ingeklemd tussen binnenstad en boulevard, voor de stad betekent. Aflevering 2: de schaatsbaan.
Zie ook:
Och, de Kom... Er wordt wel eens gefluisterd dat het een broedplaats was
voor Vlissingers. Dat de helft van de bevolking is verwekt in de struiken
langs de wandelpaadjes. Bewijzen bestaan daar echter niet voor. Meer dan wat
knusse stelletjes in het gras en oude roddels kunnen de meesten zich niet
voor de geest halen. Nee, de beste herinneringen aan de Spuikom spelen tegen
een wat koudere achtergrond. Dat is de Kom als schaatsbaan.
De
oude dokter Van Dijk woonde destijds op de boulevard en had de Spuikom zo'n
beetje als achtertuin. "Op weg naar school kwam ik er langs. Soms bleef
ik uren weg. Je kon nooit op het eilandje komen, behalve in de winter. Je
moest oppassen om er te komen. De Kom was toch een beetje brak. Ik ging
altijd aan de kant van de verlengde Glacisstraat het ijs op. Dan moest je
door dat brokkelige zoute ijs heen."
Bij vorst kwam heel
Vlissingen naar de Kom. Rijkelui met hun bobslee -hoewel de échte rijkelui
naar de verlichte schaatsbaan bij de Keersluisbrug gingen- maar ook
'Erremuenaers' die op 't Eiland woonden. "Die schaatsten niet zo veel"
, weet Van Dijk. "Zij hadden priksleetjes. Ik mocht op de schaatsen van
mijn moeder, van die ruitertjes. Behalve op zondag. Als ik dan met natte
voeten thuiskwam, zwaaide er wat. Op het ijs stond een koek-en-zopie tent.
Ontzettend veel lol heb ik er beleefd. Vooral ook aan de Duitse soldaten,
die niet konden schaatsen. Ze bonden de schaatsen onder hun Stiefeln en dat
ging natuurlijk verkeerd. Dolle pret hadden wij dan. Grote jongens, ik
herinner me Kees de Waard, oefenden er voor de Elfstedentocht."
Jaap Ventevogel woonde in zijn jonge jaren een meter of honderd bij de Spuikom
vandaan. Met zijn vriendjes kickte hij op de ijspret. "Dan was het er
gezellig! De IJsclub Vlissingen, die je destijds had, bracht verlichting aan
en de middenstand zorgde voor luidsprekers met muziek. En dan maar rondjes
schaatsen. Eén grote flirtbeweging was dat. Zeker ook de Zeevaartscholieren.
Stoere knullen waren dat."
Daar was Wijnand van Gessel er één
van. De huidige directeur van Humares zat destijds met een man of dertig in
Hotel Picard. Elke dag wandelde hij over het witte, houten bruggetje naar de
boulevard. "Dat bruggetje was voor ons een herkenningspunt. De plek om
te bedenken of je op tijd in de les zou zijn. Of het moment dat je zag dat
beneden de directeur stond om te controleren of je haren niet te lang waren,
en je jasje wel goed dicht. En inderdaad, soms werd er geschaatst. Al kan ik
dat van mezelf niet herinneren."
Johan Rouw ook niet. En die
woonde als kind toch tegen de Kom aan, boven het garagebedrijf van zijn
vader. Maar schaatsen kon hij niet. "Ik zag ze wel zwieren vanuit mijn
slaapkamerraam." Zijn vrouw Marjan zou daar best eens één van kunnen
zijn geweest. "Hartstikke leuk! Eerst warme chocolademelk drinken bij
oma en dan lekker schaatsen.
Omdat ook de vader van Marjan er een
garage had, kwam zij er regelmatig. Maar niet buiten het schaatsseizoen. "
Dat mocht niet. Het was er een klerezooi. Ze dumpten er van alles. Ook lege
handtasjes, in de bosjes. Die heb ik vaak genoeg zien liggen." Het was
dan ook wel een gek buurtje, zegt haar echtgenoot. "Hele kleine huisjes
met hele grote gezinnen. Er woonde een ijsboer, die elke avond met zijn
karretje terugkwam. Van Ham heette die, dacht ik. Een nette man. Verder was
het een beetje een armoedig stelletje. Volgens mij ook nog dames van
plezier. En overal sloopauto's. Een leuke buurt om op te groeien. Er
gebeurde altijd wat."



Sorteer reacties











