Monument op de joodse begraafplaats in Middelburg voor de slachtoffers van de holocaust.foto Lex de Meester
IJzerwarenwinkelier Hendrik Cosijn is één van de vele Middelburgers die de stad op last van burgemeester Walré de Bordes op 14 mei 1940 heeft verlaten.
Daags na de beschieting van Middelburg op 17 mei stuurt hij zijn broer naar de stad om poolshoogte te nemen. Die durft bij terugkeer niet te vertellen wat hij heeft aangetroffen. "Hendrik", meldt hij zijn broer, "er is veel verwoest, maar jouw pand staat er nog."Bij terugkeer van de Cosijns blijkt de waarheid. De winkel met woonhuis aan de Lange Delft 79 is verdwenen. Het gezin Cosijn vindt voorlopig onderdak bij tante Mietje Frank in de Blindenhoek. Kort daarop verhuizen ze naar de Vlissingsestraat waar vader Hendrik in een noodwinkel probeert zijn nering weer op gang te krijgen. Nog wat later vindt hij een geschikter pand aan de Lange Giststraat.
Het is de Cosijns niet gegund er lang van te genieten. Het gemengd joodse gezin moet dinsdag 24 maart 1942, net als ongeveer 230 andere Zeeuwen die volgens nazi-maatstaven als jood worden aangemerkt, naar het getto in Amsterdam vertrekken. Alleen vader Hendrik mag blijven. Hij is van katholieke huize. Zijn vrouw Elisabeth Frank - zij heeft een orthodox joodse afkomst - en hun kinderen Aäron (11), Jan Jozef (9), Henk (8) en Esther (7) moeten wel weg.
De gedwongen verhuizing naar het getto is één van de maatregelen die de Duitse bezetters nemen om de joden uit de Nederlandse samenleving te verwijderen. De concentratie van de joden in getto's maakt het makkelijker ze uiteindelijk naar de vernietigingskampen te transporteren.
Het gezin van Hendrik Cosijn blijft dat lot bespaard. Dankzij een zeer foute Middelburger die bij de Sicherheitspolizei werkt. Cosijn kent hem van vroeger en vraagt om papieren voor zijn gezin in het getto. De man reageert eerst verontwaardigd op het verzoek, maar korte tijd later gaat hij er toch op in. Niet zozeer uit bekommernis met Cosijns dierbaren, maar uit berekening. Je weet maar nooit welke wending de oorlog neemt. Cosijn belooft, als het zo ver komt, een getuigenis af te leggen over de goede daad die de man heeft verricht. Na de oorlog komt hij die belofte na.
En zo beschikken Elisabeth en haar kinderen over onberispelijke documenten. Er staat in dat ze van belang zijn voor de Duitse oorlogsinspanning en niet op transport mogen worden gesteld. Welke betekenis de kinderen voor die oorlogsinspanning hebben is onduidelijk. Hendrik heeft als ijzerwarenhandelaar een redelijke mate van bewegingsvrijheid. Hij kan regelmatig bij vrouw en kinderen in Amsterdam op bezoek en voedsel voor hen meenemen.
De papieren van Elisabeth en de kinderen blijken letterlijk van levensbelang. Bij een razzia in het getto worden ze opgepakt en naar het doorgangskamp Westerbork gebracht. Net op tijd kunnen ze de Duitsers de papieren presenteren die hun uitzonderingspositie waarmerken. Ze hoeven niet in de trein naar Auschwitz, maar mogen terug naar Amsterdam.
Daar overleven Elisabeth, Jan Jozef, Henk en Esther de oorlog. Alleen de ziekelijke Aäron redt het niet. In augustus 1945 keren Elisabeth en de andere kinderen terug in Middelburg, waar de wederopbouw in volle gang is. Hendrik Cosijn heeft in de Lange Delft al een nieuw winkelpand met woonhuis laten bouwen.
Het leven blijft in zeker opzicht akelig leeg. Vier zussen en een broer van Elisabeth zijn, evenals tientallen andere familieleden, in Auschwitz en Sobibor vermoord. Ze overlijdt zelf in 1997. Op de hoge leeftijd van 98 jaar.
Als een soort compensatie.


Sorteer reacties














