Door dijkversterkingen verdwijnt de traditionele Zeeuwse dijkbekleding. Een mini-openluchtmuseum zorgt voor behoud van dat stukje cultuurhistorie.
Natuurlijk is er alles voor te zeggen dat waterschap Zeeuwse Eilanden en
Rijkswaterstaat momenteel de dijken in het midden en noorden van de
provincie flink aanpakken. Veiligheid voor alles, vinden de instanties, die
bij deze werkzaamheden samenwerken onder de naam Bureau Zeeweringen.
Een keerzijde heeft het ook. Na aanpak lijken de dijken opeens erg op elkaar.
Ze zijn veiliger, beter en goedkoper te onderhouden, maar ook saaier. De
oude dijkbekledingen, verschillend van techniek en hun eigen verhaal
vertellend, verdwijnen. En daarmee een stukje cultuurhistorie.
Om
die onvermijdelijke situatie wat te verzachten, doet Zeeweringen er veel aan
om historie aan de waterkant zichtbaar te houden. Het bureau presenteerde
vorig jaar al een cultuurhistorische kaart, waarop objecten langs de
Oosterscheldeboorden met cultuurhistorische waarden staan. Bij het
versterken van de dijken houdt het bureau zoveel mogelijk rekening met
behoud daarvan.
Een idee dat daarop aansluit, is de komst van de
museumglooiing. Bij Ouwerkerk, achter het Watersnoodmuseum, heeft het
waterschap een stuk van zestig meter gereserveerd voor zes vormen van
'ouderwetse' dijkbekleding. Het gedeelte (De Vier Bannen) komt dit jaar aan
de beurt in het versterkingstraject, en dan wordt meteen het mini-museum
aangelegd.
"Dat komt op het bovenste gedeelte van de dijk, aan
de kant van de zee", vertelt Ad Beaufort van het waterschap. De plek is
niet voor niks gekozen. "Langs de dijk wordt een fiets- en wandelpad
aangelegd, dus we denken dat er veel mensen passeren." Die kunnen
meteen het Watersnoodmuseum meepikken én de aanpassingen bekijken die
Staatsbosbeheer momenteel in die omgeving doet. De natuurclub maakt er de
oude zeedijk beter zichtbaar en verbetert de leefomgeving voor onder meer de
levendbarende hagedis. Tel daarbij op dat aan de overkant van de weg het
aantrekkelijke krekengebied van Ouwerkerk ligt, en het maakt een tocht langs
verschillende aspecten van het thema 'water' mogelijk.
De
museumglooiing heeft dergelijke 'steun' wel nodig, denkt Beaufort. "
Mensen vinden dit een leuk initiatief, maar dit trekt geen bezoekers als je
het ergens achteraf neerlegt. Juist de combinatie maakt het interessant."
Op dezelfde manier is overigens de plek bepaald voor een gelijksoortig, maar
kleiner initiatief op Noord-Beveland. Daar wordt straks bij Colijnsplaat een
stukje van het systeem Leendertse getoond, bij de plaats waar ook het
monument voor de Verdronken Dorpen gepland staat.
Het aanleggen van
de glooiing is de enige manier om de oude bekledingen te behouden, verzekert
Beaufort. "Het zou te duur zijn om die op de traditionele manier in
stand te houden. Bovendien is dat niet meer veilig genoeg. Dat is niet raar;
de meeste zijn begin vorige eeuw aangelegd. Ze hebben hun nut wel gehad,
lijkt me."
Op de 'nieuwe' dijken komen vooral betonzuilen. "
Ook de nu al aanwezige betonblokken zijn vaak niet sterk genoeg meer, hoewel
we dat soms oplossen door die te kantelen."
De betonnen
bekleding wordt soms, afhankelijk van de situatie ter plekke, 'opgevuld' met
stortsteen en asfalt. Daarbij wordt ook aan de plantjes gedacht: een
ecotoplaag of een laag lavasteen moet op een aantal plaatsen hergroei van de
karakteristieke, zoutminnende flora bespoedigen.




















