Ad Kostermans uit Bergen op Zoom heeft iets met oldtimers die zeer bescheiden van stuk zijn.
Ooit begonnen met de piepkleine BMW 600, later overgestapt naar de Fiat 500. De aantrekkingskracht schuilt volgens Kostermans voor een groot deel in de aaibaarheidsfactor. "In een 500 ga je niet zitten, je trekt 'm aan", illustreert de Bergenaar. Hij is in het bezit van deze Fiat Cabriolet 500C uit 1953, een exemplaar uit de eerste generatie Fiat 500 Topolino's (1936 - 1955). De 'C' werd in 1955 opgevolgd door de Fiat 600, waarna twee jaar later een nieuwe generatie 500 op de markt kwam - de Nuova 500, het bekende rugzakje.
Niet alleen het koddige uiterlijk van mini-Fiat veroverde het hart van Kostermans, ook het pruttelende motorgeluid en de eenvoudige techniek sprak en spreekt hem nog steeds enorm aan. "Wat dat betreft zijn het net brommertjes. Je kunt de motor er zo uittrekken en beginnen met sleutelen. Het blokje uit mijn C is een watergekoelde kopklepper en geen zijklepper, waardoor je al helemaal makkelijk overal bij kunt." De Fiat 500 mocht destijds niet al teveel geld kosten. De Italianen voerden in de motortechniek daarom een aantal kostenbesparende toepassingen door. Kostermans legt uit: "Er zit bijvoorbeeld thermosifonkoeling in. Dat systeem werkt simpel gezegd als een koffiezetapparaat. Water wordt van onderen verwarmd, stijgt omhoog en valt via het teutje in het koffiefilter, in dit geval in het motorblok. Terwijl het water erin valt, wordt het door de lucht van de vin op de radiateur gekoeld. Op deze manier is een waterpomp overbodig, en dat scheelt weer geld."
Kostermans kocht zijn oldtimer van een verzamelaar uit Goirle die zijn oude auto's verruilde voor motorfietsen. De staat van de Fiat was in woorden van de Bergenaar netjes, maar verdiende zeker geen schoonheidsprijs. "Ik zeg altijd dat de auto gespoten is met een stofzuiger. Er zit hier en daar namelijk vuil onder de lak. Dat vind ik helemaal niet erg. Je mag best zien dat een auto gewerkt heeft."



Sorteer reacties












