article
1.6550063
Mijn hoedje met fazantenveer op het hoofd geplant, groene waxjas uit de kast geplukt, de voeten in een paar stevige laarzen gestoken, de weitas om mijn schouder gehangen. Ziedaar: een jagersman gereed voor de jacht.
Jager
Mijn hoedje met fazantenveer op het hoofd geplant, groene waxjas uit de kast geplukt, de voeten in een paar stevige laarzen gestoken, de weitas om mijn schouder gehangen. Ziedaar: een jagersman gereed voor de jacht.
http://www.pzc.nl/extra/columns/columns-willem-van-dam/jager-1.6550063
2016-10-20T06:00:00+0000
http://www.pzc.nl/polopoly_fs/1.3970197.1473766074!image/image-3970197.jpg
Cultuur,jagen,jager,man,hermes,Wolphaartsdijk
Columns Willem van Dam

Jager

Foto's
1
Reacties
Reageer
    Mijn hoedje met fazantenveer op het hoofd geplant, groene waxjas uit de kast geplukt, de voeten in een paar stevige laarzen gestoken, de weitas om mijn schouder gehangen. Ziedaar: een jagersman gereed voor de jacht.
    Ga opzij, de patrijs wacht op mij

    ,,Vrouw’’, zei ik , ,,reik me mijn geweer aan.’’
    Ze keek stomverbaasd: ,,Jíj, een geweer?’’
    Ik: ,,Nou, mijn luchtbuks dan. Die moet ergens in de schuur liggen. Heb ik ooit eens van een vriendje gekocht toen ik een jaar of twaalf was. Schoot ik mussen mee uit de boom.’’
    Zij, oprecht verontwaardigd: ,,Op mussen schieten, heb jíj dat gedaan? Dierenbeul!’’
    ,,Vrouw’’, zei ik, ,,in iedere man schuilt een jager. Dus ga opzij, de patrijs wacht op mij.’’ Want ook ik lees wel eens een krant en daarin stond dit weekeinde een verhaal waarin wordt betoogd, dat wij mannen - ja, zelfs de grootste kantoorlulhannes - heel, heel diep in het hart jagers zijn gebleven.
    Ik trok de keukendeur achter mij dicht en stapte met Het Jagerslied van Hans Dorrestijn op de lippen welgemoed de Bevelandse polders in:

    Ik ging op een dag uit jagen/
    Al met mijn schietgeweer/
    Ik ging op een dag uit jagen/
    Met mijn hoedje met een veer.

    Ruim twee uur banjerde ik in de stromende regen door de Zeeuwse klei. In de verste verten geen konijn, haas, fazant of patrijs te bekennen. Die waren natuurlijk allemaal in hun veilige, warme holletjes gekropen om mij stiekem in hun vuistjes uit te lachen.

    Mismoedig sjokte ik terug naar huis, waar ik à la rechercheur De Cock (‘met CeeOOCeeKaa’) mijn hoedje in de richting van de kapstok wierp en mijzelf uit mijn doorregende waxjas pelde. Zuchtend zonk ik neer in de leunstoel bij het haardvuur. Uit de luidspreker van de radio klonken de Arbeidsvitaminen: De Selvera’s - Twee reebruine ogen die keken de jager aan.