De berijpte dijk loopt uit eindeloos
in mist. Onzichtbaar, dreunend
glijden de schepen voorbij.
Een niemandsland,
gevuld met een besef van tijd
en met een gestalte die
donker en kwiek van ver mij tegemoetkomt
door het witte gras en het wier langs het water.
Hij gaat glimlachend door me heen
en neemt me mee naar het verleden.
Niet dat er veel veranderd is,
een echo nu van geluid, en een schaduw,
de geur van een mens die door mij heen is gegaan.
Was dit vroeger niet eender?
Toen ik nog niemand kende
wachtte ik met ditzelfde gevoel,
was die gestalte, dat gelaat
gestempeld in mijn verlangen,
rook ik die geur, zoet en dierlijk,
als ik stond in de bevroren mist van niemandsland,
gelukkig en blind van verdriet.
Het wordt wel moeilijk
te zeggen wat dit is, zonder pathos,
zonder mystiek, doodgewoon
de dierbaarste die je tegemoetkomt,
die door je heen gaat, en geurt
en niet is.
uit: Tussen hybris en vergaan, 1969
Niet beschikbaar!













