U bevindt zich hier › Algemeen › Cultuur › Hans Warren
MIDDELBURG - Van de tien geselecteerde gedichten van Hans Warren blijkt het gedicht Thuiskeer in Zeeland duidelijk favoriet te zijn bij de lezers.…
In 1981 verscheen het eerste deel. Volgende week vrijdag wordt in Middelburg het laatste gepresenteerd. Het Geheim Dagboek van Hans Warren, tweeëntwintig …
‘Je dierbare bezittingen, waar ze heen gaan, je weet het niet. Zal iemand ze ooit nog zo liefhebben?’ Hans Warren verzamelde niet-westerse kun…
Hart van mijn land ik ben terug in ’t waaien van uw volle zomer, lig lui en languit op mijn rug, weer thuis en nog dezelfde dromer. Ver als de blik gaat, ver als wolken ruisen de popels ijl en licht; als water koeren duiven onder het bloesemdek van uw gezicht. Ik ben terug, ik lig te rusten in ’t bruidsbed van uw welig kruid en luister: nooit was ik bewuster van onze eenheid van geluid. ’t Vernis van licht om alle halmen, het boomscherm dat de einder sluit, de klokken, wier verwaaiend galmen tegen de zilte hemel stuit – klank, geur en kleur, zinlijk herkennen: de karper op de waterplas, het hooi, zingende Zeeuwse stemmen, de zoete bonen, ’t prille vlas – Ik lig, ik ben terug, ik droom uw dromen in een blijde schemer; ik werd weer kind, ik werd een boom, een plant, een lied, een stukje hemel. uit: Vijf in je oog, 1954
Scherfje hemel op de duintop trillend in de wind. Omdat ik niet zeker was plukte ik de schraalste. ’s Avonds, vergeten in mijn zak: dor propje, sprietje, spijt. Water deed wonderen, ’s anderendaags bloeide je weer, liet je determineren. Zandblauwtje, Jasione montana. Scherfje hemel in een plastic beker. De wroeging blijft, geen wind, geen bij beroert je meer, en ijdel is dit woord. uit: Tijd, 1986
Iedereen wordt geboeid: het is een bronzen doodkistje, met voor en achter een singa-masker, haast een prauw, en daarin ligt het kleine bronzen lijk van een Batak. Niemand weet meer waartoe het ooit gediend heeft. Zó een gedicht schrijven. Een fascinerend huls met daarin een geheim dat niet te duiden is maar blijft trekken, ook al is de tovenaar voorgoed verdwenen met zijn riten en zijn doel. uit: Een stip op de wereldkaart, 2001
Ben jij het die dit leest? Heb je net je astrakan muts afgezet, en vallen nu je zwarte krullen warm naar het papier? Slaat het licht van deze bladzij op in de goudspikkels van je ogen, glimlach je gelukkig, nu je merkt dat ik dit weet, en breng je ook je donkere lippen zo dicht bij de woorden dat het lijkt of je ze gaat kussen? Leg je, toch even onzeker, je vinger tussen de bladzijs, druk je het boek tegen je borst, waar het ritselt door het bonzen van je hart? Ben je nòg mooier nu, kijk je door het raam? Wees gerust: dit is werkelijk voor jou geschreven. uit: Herakles op de tweesprong, 1974
Met zoveel liefde heb ik van je gehouden dat, nu ik bijna je vergeten ben, het zeggen van je naam mij is gebleven een liefkozing, waar ik dagen op kan leven. En dit is de liefste herinnering: hoe op het plein, een honinglied van linden, vanuit de schaduw over witte straten je aan kwam lopen. Speelse zomerwinden sloegen de gele zijde van je kleed tegen je ranke lichaam, en je ogen waren van heimwee raadselig verwijd. Hoevele zomers zijn sindsdien vervlogen. Met zoveel liefde toch heb ik van je gehouden dat, nu ik bijna je vergeten ben, het een liefkozing der lippen is gebleven je naam te zeggen als ik eenzaam ben. uit: Pastorale, 1946
Gore plastic zakken, fladderend, vastgehaakt aan stokken in een tochtsloot ergens op Schouwen zo'n lichtloze middag tussen Sint en Kerst: Chileense flamingo's. Ooit fantaseerde ik een zwoel moeraswoud vol orchideeën, roepen, slingers baardmos, en spiegelend onder smaragden waaierkruinen Chileense flamingo's. uit: Een stip op de wereldkaart, 2001
De berijpte dijk loopt uit eindeloos in mist. Onzichtbaar, dreunend glijden de schepen voorbij. Een niemandsland, gevuld met een besef van tijd en met een gestalte die donker en kwiek van ver mij tegemoetkomt door het witte gras en het wier langs het water. Hij gaat glimlachend door me heen en neemt me mee naar het verleden. Niet dat er veel veranderd is, een echo nu van geluid, en een schaduw, de geur van een mens die door mij heen is gegaan. Was dit vroeger niet eender? Toen ik nog niemand kende wachtte ik met ditzelfde gevoel, was die gestalte, dat gelaat gestempeld in mijn verlangen, rook ik die geur, zoet en dierlijk, als ik stond in de bevroren mist van niemandsland, gelukkig en blind van verdriet. Het wordt wel moeilijk te zeggen wat dit is, zonder pathos, zonder mystiek, doodgewoon de dierbaarste die je tegemoetkomt, die door je heen gaat, en geurt en niet is. uit: Tussen hybris en vergaan, 1969
De rijm stijgt dampend uit de weiden tot sluiers om de zon die tussen de lentetwijgen een Japanse allure krijgt pirix pirix tjuwie tjuwie tjitjuwuwu tlie tluu tlie tirìktiping tjulìlililili Melkauto’s in de verte de postbode nadert litu tjoeoek tjoek tjoeoek de postbode loopt voorbij tèk tok tèk tek tek trrk trrr tr rr titiwu pikwie? pikwieie? uit: Vijf in je oog, 1954
Eigenlijk al van mijn kindertijd af denk ik aan mijn uitvaart. Ik zou willen dat iedereen dan gelukkig was, dat vreemde geluk om iets wat te mooi is, wat pijn doet. Ik heb me daarbij muziek voorgesteld, een klagende hobo van Albinoni, of dat ik op een bandje voor jullie een stoïsch, dankbaar gedicht voorlas; maar eigenlijk hoop ik dat het mei zal zijn onder hoge beuken, en heel stil, en dat dan opeens twee zwartkopjes gaan zingen tegen elkaar in. Laat dan niemand spreken, want iets mooiers, iets ontroerenders bestaat er niet op aarde. uit: Betreffende vogels, 1974
Natuurlijk moest die jongen in het duin merken dat ik intens naar hem keek. Natuurlijk kwam hij toen vlak langs me met veel overbodige bewegingen hoewel hij me zogezegd niet zag. Natuurlijk begon hij een lenteballet met een vriendje en een bal, natuurlijk streek hij veel te meisjesachtig telkens door zijn erg lange haar en keek daarbij eens om, flitsend gebit in duister gezicht. Natuurlijk lag hij later loom kauwend op een helmspriet in dat aandoenlijke verschoten badbroekje helemaal alleen in een warme duinpan. Natuurlijk ging ik zacht en ongemerkt weg en natuurlijk heb ik daar de hele dag spijt van. uit: Winter in Pompeï, 1975
Alle evenementen op een rij
Stuur ons een email: redactie@pzc.nl
Werken aan de biografie