Levensstroom
Er hangt een tinteling boven het water, en ik verzucht alsmaar meer.
De warmte is verzengend, het haalt het ritme uit mijn lijf.
Ik maak het mij tot een kunst, om zo weinig mogelijk te doen.
Om roerloos te blijven.
Er is nieuw leven in mijn buik.
Geborgenheid, gewichtloosheid in het warme water.
Als er geen boven en geen onder is.
Als er geen donker en geen licht is.
Als je het bloed voelt stromen door mijn aderen, je niets anders hoort dan het bonzen van mijn hart.
Ben jij het kindje diep in mij verstrengeld.
Verzonken in een ruimte die alsmaar kleiner wordt.
Vingertjes, teentjes, voetjes, duwend tegen mijn ribben, alles nog niet helemaal af.
Langzaam wordt mijn lichaam nat van het nietsdoen.
Mijn adem hapert, mijn keel is uitgedroogd.
Mijn wimpers trillen en verstillen, plakken vast aan mijn arcadeboog.
Een druppel vocht, zilt water.


















