De proloog tot het waterspel De Vliegende Hollander van Matthijs Vermeulen is een aangenaam werk. Opvallend was het gebruik van vele, soms onverwachte, instrumenten, zoals de xylofoon en harp. Dit werk, in een Frans impressionistische stijl, was een prima introductie naar het vierde pianoconcert van Ludwig van Beethoven. Pianist Dejan Lazic bracht het eerste thema met souplesse en het orkest verzorgde een passende repliek. In de solopartij, die wel heel persoonlijk werd ingevuld, was geen pianistiek geweld te horen, maar verfijnde muzikaliteit. Lazic beschikt over een fantastische techniek en brengt zijn partij doorleefd en doordacht. Zijn persoonlijke inbreng kwam vooral goed uit in de cadensen die van zijn hand waren, virtuoze passages waarin het themamateriaal op speciale wijze werd verwerkt. Fenomenaal was in de eerste cadens de wijze waarop Lazic het thema eerst in de linkerhand en daarna in de rechterhand bracht met vernuftige versieringen in de linker. In het Andante, dat uitgesproken langzaam werd vertolkt, was het contrast tussen solist en orkest groot. Een orkest dat altijd zuiver, in dienst van de pianopartij, gelijk en homogeen speelde.
Shéhérazade van Rimsky-Korsakov is een verhalend werk dat tot de verbeelding spreekt. Het Residentie Orkest bracht deze compositie dynamisch en dramatisch, waardoor de vertolking nooit saai werd. De verschillende solo's (eerste viool, cello, fagot, klarinet, harp, fluit en hobo) kwamen mooi uit en het orkest begeleidde steeds accuraat. Dirigent John Storgards loodste zijn orkest door alle muzikale woelige wateren. Kortom een heerlijke avond verzorgd door een toporkest.
Heel anders, maar wel boeiend, was gistermiddag het optreden van pianist Martin Oei (13), die rekening moest houden met de lange nagalm in de basiliek. Na een deel uit Sonate KV 311 van Mozart werden een reeks korte, levendige werkjes virtuoos en soepel gebracht. De knappe techniek kwam goed uit in de deeltjes Kangoeroes, Aquarium en Zwaan uit Carnaval des Animaux van Saint-Saens, de 3 Lyrische stukken van Grieg en de overbekende vrolijke vlucht van de hommel van Rimsky-Korsakov. Meer muzikale body zat in de werken van Mendelssohn, Ton de Leeuw en Von Weber. Martin zorgde voor een goede afwisseling tussen de lyrische, langzame delen en de snellere virtuoze passages. De werken na de pauze hadden meer muzikale diepgang. In de Sonate nr. 15 van Schubert contrasteerde het langzame middendeel prima met de hoekdelen, die open en blijmoedig van karakter zijn. De Nocturne van Chopin kreeg een mooi invulling en de Elegie van Rachmaninov en het Rondo Capriccioso van Mendelssohn werden fors, mannelijk en toch vol emotie vertolkt. Deze bescheiden pianist wacht een zonnige toekomst.

















