In ons land zijn amper bossen aangeplant. Bosbouwprojecten mislukken veelal door gebrek aan animo. Bosjes die vroeger bij ruilverkavelingen wel eens in moeilijke hoekjes werden aangeplant om de schaamte over cultuurverwoesting te bedekken, zijn de laatste jaren vaak opgeruimd in het kader van de strijd tegen de verrommeling.
Inderdaad zijn er de afgelopen decennia wel duizenden hectares grond opgeslokt door bijvoorbeeld de 'ecologische hoofdstructuur', maar om hier nu te spreken over het verlies van hoogwaardige landbouwgrond lijkt wat overdreven.
Natuur wordt aangelegd op veelal moeilijk bewerkbare zandgronden en in zompige veenweidegebieden. Het zijn gebieden die boeren geen lor kunnen schelen, ware het niet dat in de buurt van deze gebieden aan de veehouderij beperkingen wordt opgelegd.
Bovendien wordt op Nederlandse grond helemaal niet zoveel plantaardig menselijk voedsel geproduceerd, om nog maar eens een mythe te ontkrachten. Nederlands graan is door de aard van de grond en klimatologische omstandigheden niet zo geschikt voor menselijke voedselproductie. Wat hier wordt geteeld, gaat meestal rechtstreeks naar koeien- en varkensmagen. Suiker en aardappelen (vooral zetmeel-, frites- en pootaardappelen) vormen de grote bijdragen van de Nederlandse akkerbouw aan de menselijke voeding. En daar vallen de tekorten wel mee. Bovendien is hier ook weer geen sprake van noodzakelijk hoogwaardig voedsel. Natuurlijk wordt er goed mee verdiend en blinken de akkerbouwers uit in vakkennis, maar dat staat buiten de huidige discussie. Het grootste grondbeslag van Nederland komt voor rekening van de melkveehouderij. Gras, wintertarwe, maïs en koeien bepalen het beeld van Nederland. Om nu te roepen dat grasland zulke waardevolle landbouwgrond is, is een beetje overdreven. Dat de melkveehouders van het op zich armoedige gras - aangevuld met soja en hier verbouwde maïs en wintertarwe - nog veel melk weten te maken is een compliment waard, maar alweer niet zo'n sterk argument in de discussie over voedselschaarste.
De meeste grond is de afgelopen jaren aan de landbouw onttrokken voor stadsuitbreiding en wegenaanleg. We zien maar weinig agrarische arealen die worden omgezet in natuur- en recreatiegebied.
Wat is dan het grote probleem? Bij de melkveehouders is sprake van een flinke landhonger. Niet omdat ze zoveel land moesten prijsgeven aan bosbouw, maar omdat ze meer nodig hebben om aan de strengere mestnormen te kunnen voldoen. Bovendien willen de melkveehouders hun productie uitbreiden. Na ruim twintig jaar beperkt te zijn geweest in de productie, mogen boeren na 2015 evenveel melk produceren als ze kunnen. En daar hebben ze veel grond voor nodig, vooral om de mest kwijt te kunnen. Daarbij stuiten ze op grenzen. Want veel meer grond is er niet. Dan is het gemakkelijk te wijzen naar natuurorganisaties als schuldigen. Het feit dat natuur de kans kreeg op voor landbouw weinig geschikte grond doet er kennelijk ineens niet meer toe. Ook op waardeloze grond kun je nog wel mest kwijt.
We kunnen echter moeilijk alle land plat slaan om de mest van meer koeien kwijt te kunnen en tegelijk de recreërende burger vaker het vliegtuig laten nemen naar verre oorden. Met de huidige goed lopende melkproductie wordt een mooie Nederlandse zuivelindustrie overeind gehouden, die veel werkgelegenheid biedt. Maar we voeden er de wereldbevolking niet mee. Dat vraagt om andere producten, die we hier niet kunnen verbouwen.
Niet beschikbaar!














